Overzicht beheerhandelingen en beheeraspecten
Op deze website en in het plantenvademecum komen allerlei beheerhandelingen ter sprake. Op deze pagina worden er een aantal genoemd en in beeld gebracht.
Graslandbeheer

Uitmaaien met de zeis - De zeis is een van de oudste gereedschappen om kruidachtige vegetaties te maaien. Op kwetsbare plekken is deze methode waarschijnlijk het beste voor de biodiversiteit. Maar deze vaardigheid wordt nog door weinigen beheerst. Het is een methode die voor het nageslacht zeer belangrijke natuurterreinen heeft nagelaten. (Natuurtuin Pieterburen, 2006).

De vraag is wat laten wij na met ons zwaar beheermaterieel.

 
De meeste oudere boeren beheersen de kunst van het maaien met de zeis, maar dat is een uitstervend ras.
---
Hooien met paardenkracht -- Tot in de eerste helft van de vorige eeuw werd er nog veel met behulp van paardenkracht of zelfs met de hand gemaaid en gehooid. Dit kon alleen in het kleinschalige landschap. (Renswoude 1972).
---

Hooien met handkracht -- Meestal hielp de hele familie mee om het hooi te keren en te oogsten. Dit komt tegenwoordig nog maar zelden voor. (Wijhe 2001). Vooral in bloemrijke graslanden, bermen en dijktaluds is het keren van maaisel belangrijk voor de flora. Tijdens het drogen rijpen veel zaden nog na, bij het keren vallen ze alsnog op de grond.

---
Hobbyboeren -- Alleen hobbyboeren maaien pleksgewijs bermen en dijktaluds om het maaisel te gebruiken voor hun koeien, paarden, schapen of geiten. Zulke beheerhandelingen zouden ook als therapie uitgevoerd kunnen worden. Het is een rustgevende en gezonde fysieke arbeid. Gelet op de sporen in de berm, is er met te zwaar materieel gemaaid. (Kampereiland 1992).
--
Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werden in sommige (?) gemeenten grasvelden, net als voetbalvelden voor een deel chemisch onderhouden. In particuliere tuinen gebeurt dat nog steeds.

Distels trekken -- Vroeger werd iedere vorm van onkruidbestrijding handmatig uitgevoerd. Het kon niet anders. Zo werden distels gemaaid, diep uitgestoken of met een houten disteltang uitgetrokken. Vaak met wisselend succes. Dit was aanleiding voor de volgende uitdrukkingen:

Distels maaien is distels zaaien;

Distels steken, is distels kweken;

Distels trekken, is distels stekken;

Distels laten staan, is naar de bliksem gaan.

--
Maaien met de vingerbalk -- Met de zeis maaien is voor kleinschalige objecten het beste, maar vaak te duur. Maaien met een éénassige trekker met vingerbalk is in veel gevallen een goed alternatief. Maar in de jaren tachtig van de vorige eeuw werden bij dit maaisysteem ook vraagtekens geplaatst . Op natte terreinen was er te veel insporing met enkel lucht ( 2 wielen), maar het dubbellucht (4 wielen) zouden veel insecten en larven worden geplet. Vooral vanuit de Vlinderstichting was dat een sterk signaal.
---
Keren van hooi -- Vrijwel al het hooilandbeheer gebeurt sinds de tweede helft van de vorige eeuw met trekkers, die alsmaar zwaarder worden en de ecologische draagkracht van de bodem vaak ver overschrijden. (Leiden 1995). Op korte termijn lijken nadelig effecten mee te vallen, maar wat is het effect over enkele decennia?
---
Rapen van hooi -- Het rapen van hooi gebeurde vaak met een afzonderlijke raapwagen. Dat betekende vaak drie arbeidsgangen: maaien, keren en rapen. Zulk hooi kan goed als veevoer worden gebruikt. Maar als de boeren het hooi niet nodig hebben, wordt rapen gezien als verloren tijd. Voor ecologisch graslandbeheer zijn de genoemde drie handelingen wel noodzakelijk. (Breda ca. 1995).
---
Stofzuigermaaien -- Om het aantal arbeidsgangen(maaien, keren, rapen) te verminderen wordt steeds meer de stofzuigermaaier ingezet. In één arbeidsgang wordt al het werk gedaan. Als dat goed gebeurt, kan dat bloemrijke vegetaties opleveren. Maar veel zaden en kleine dieren worden ook mee gezogen. Als de maaimachine met een ecokop is uitgerust, wordt het opzuigen van zaden en kleine dieren beperkt. De vraag is natuurlijk wat de invloed is op de totale biodiversiteit. Het gaat niet om het aantal ongewervelde dieren, maar ook om het aantal soorten. Verschillende insecten leven van verschillende bovengrondse onderdelen van de plant.. Waarschijnlijk kan het grootste gedeelte van de ongewervelde dieren niet vluchten en wordt gewoon mee gezogen.

---

Afvoeren van het maaisel -- Enkele decennia geleden werd bermmaaisel door de boeren en door paardenmaneges gebruikt. Door de slechte kwaliteit van het hooi, dat vaak vervuild is met afval en soms chemisch verontreinigd, moet het vaak als afval worden gestort. Hier liggen grote bergen op transport te wachten. het gaat naar de stort of naar energiecentrales.
---
Maaisel als bodemverbeteraar -- Maaisel kan goed als bodemverbeteraar voor maïsakkers, worden gebruikt. De kwaliteit van het maaisel moet dan wel aan de strenge normen voldoen. De vraag is of deze normen niet te streng zijn. Door de te strenge normering moet hooi en andere groenrestproducten als afval worden gestort. Doordat dit de kosten opdrijft komt ecologisch groenbeheer onder druk te staan.
---
Spoorvorming bij het maaien -- Doordat er steeds maar wordt bezuinigd, wordt er vaak steeds ruwer beheerd. Kwaliteit is dan volledig ondergeschikt aan het boekhoudkundige plaatje. Op papier werden en worden beheernormen vaak mooi omschreven, maar naar de praktijk wordt meestal niet gekeken. (Zwolle, 1996)
Maaibeheer 2016
 
 
De wieldruk wordt verdeeld: sprookje of niet geen enkel dier komt hier levend onder vandaan
 
---
Branden van vegetaties -- Enkele decennia geleden werden spoorwegvegetaties nog veel afgebrand. Als de baanbeheerders het niet deden dan deden anderen het wel: niet alleen vandalen, maar ook veel boeren. In sommige gevallen was branden voor de flora erg gunstig, maar voor de fauna was en is branden rampzalig. Na 1985-1986 werd branden als beheer door de NS verboden. Later door de Rijksoverheid ook in verband met het milieu.
---
Beplantingen
Chemische onkruidbestrijding -- Voor de periode 1960-1970 waren schoffelen, spitten en frezen de methoden om het onkruid onder controle te houden. Tussen 1970-1990 werd er in veel/de meeste gemeenten zowel in jonge als in oudere beplantingen nog overdadig van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt gemaakt. Van wilde bijen in beplantingen was toen geen enkele sprake. Op deze wijze spuiten is tegenwoordig ondenkbaar. Voor overheden en bedrijven zijn de regels voor het gebruik strenger geworden en recentelijk verboden. De particuliere gebruikers kunnen met veel middelen nog royaal hun gang gaan en die gebruiken vele malen meer chemisch troep dan de locale overheden. Dit was al het geval begin jaren negentig.
---
Schoffelen -- Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er nog veel geschoffeld. Daarna stapte men massaal over op chemische onkruidbestrijding. Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig werd onder druk van de milieubeweging en nieuwe voorschriften het schoffelen weer ingevoerd op plekken waar dat niet anders kon. (Veenendaal 1996)
---
Versnipperen
In de jaren tachtig van de vorige eeuw deed ook de versnipperaar zijn intrede. De snippers werden gebruikt om het onkruid te onderdrukken. Als de snippers egaal werden verspreid, zag het er niet onaardig uit, maar dat veranderde spoedig. Door de snelle mineralisatie van de houtsnippers en de te dikke lagen die werden aangebracht ontstonden er storingsvegetaties die werden gedomineerd door grote brandnetels en kleefkruid. Iedere ecoloog kon dat weten. Maar dat mocht je niet hardop zeggen. Als het een dunne laag van maximaal 2-3 cm in de schaduw was, ging het redelijk goed. Snoeihout pleksgewijs op enkele hopen gooien is ook een alternatief. Dikke lagen kunnen de bodem afsluiten voor zuurstof en op zonnige en half beschaduwde plekken leiden tot een explosieve groei van onkruiden. Afvoeren van de snippers is het beste. Houtsnippers kunnen bovendien als energiebron worden gebruikt. (Heerhugowaard, 2001).
 
Na een paar jaar kwam men er achter dat terug spuiten van houtsnippers geen oplossing was voor het verminderen van onkruid. Dus werden de snippers afgevoerd.
Ze werden vooral gebruikt voor onverharde paden in parken.
 
---

Onkruidtrekken -- Door bezuinigingen was er veel achterstallig onderhoud. Als er dan wordt afgezien van chemische onkruidbestrijding, raken beplantingen overgroeid met klimmende kruiden zoals kleefkruid, haagwinde en heggenduizendknoop, die dan met de hand moeten worden weggetrokken. Ook de zogenaamde bodembedekkers zijn vaak of meestal niet tegen zulke kruiden opgewassen. (Deventer 1996).

In de jaren 80 en begin jaren 90 van de vorige eeuw werden bodembedekkers als een soort wondermiddel gezien. Maar die werkten het beste als de bodem eerst preventief chemisch werd ontdaan van onkruid. Dit werd toen nog geadviseerd door het consulaat stedelijk groen (rijksoverheid !).

---
Wieden -- Jonge bodembedekkende beplantingen werden regelmatig met de hand gewied, omdat de gemeente afzag van het gebruik van chemische middelen. (Deventer 1996). Dit was financieel niet vol te houden.
---
Uitmaaien -- Een goed alternatief voor het "netjes" houden van randen van beplantingen is uitmaaien van de kruidachtige begroeiing en houtige opslag. Vaak wordt het uitmaaien tot de randen beperkt. Dit wordt ook wel randenbeheer genoemd. (Arnhem 1995) Als randenbeheer ecologisch goed gebeurt, heeft dat zeer positieve effecten op de biodiversiteit.
---
Boomschors werd vooral rond 1990 vaak gebruikt om onkruid tegen te gaan. Het effect hiervan was vaak zeer beperkt en stond niet in verhouding met de kosten. Het onderzoek wat aan deze methode ten grondslag lag, was zeer oppervlakkig. Wethouders konden hier politiek mee scoren, maar eigenlijk was het weggegooid geld. Op jonge beplantingen had het tijdelijk effect.
---
Ringen -- In oudere beplantingen is het vaak te donker voor een kruidlaag. Door een boom te verwijderen komt er meer licht op de bodem. Plotselinge veranderingen zoals omzagen, leiden vaak tot storing en verruiging. De boom moet dus geleidelijk afsterven. Dat kan door ringen. Als men er zeker van wil zijn dat een boom afsterft, moet een flink deel van de bast worden verwijderd. Vooral op plaatsen met een bloemrijke kruidlaag is het geleidelijk afsterven van bomen van grootbelang. De omringende bomen vullen door het verder uitgroeien van de kroon de lege plek op. Per saldo wordt het vaak wel lichter.
---
Beperkt ringen -- Als het ringen te beperkt wordt uitgevoerd, is de kans groot dat de bast weer aaneen groeit en dan blijft de boom in leven. De boom is dan wel minder vitaal en wellicht meer stormgevoelig. Als tussenfase is beperkt ringen te overwegen. De boom zwakt langzaam af, terwijl andere planten zich beter kunnen ontwikkelen.
---
Ringen en kappen -- Ringen van de bast van een boom is een methode om bomen geleidelijk te laten afsterven. Schoksgewijze veranderingen, zoals bij kappen het geval is, worden hierdoor voorkomen. In principe zijn het ook natuurlijke processen. Paarden vreten de bast van bomen weg en bevers zijn in staat om tamelijk zware bomen te vellen. Wat er in een bos of park moet gebeuren, hangt van de doelstelling af.
---
Snoeien van scheerheggen -- Allerlei soorten heggen kunnen tegenwoordig heel precies machinaal worden gesnoeid met een messenbalk. Het snoeien van kleinschalige heggen en plekken die voor groter materieel moeilijk toegankelijk zijn, gebeurt met een handbediende messenbalk. In andere situaties is de messenbalk aan een trekker gemonteerd die zeer nauwkeurig kan worden afgesteld. Tot voor kort (1990-2000) werd deze methode ook vaak toegepast voor het snoeien van allerlei andere beplantingen met struiken. Door omvorming van beplantingen is dat steeds minder nodig. Het tijdstip is vaak niet gunstig voor bijen, waarvoor snoeien of maaien altijd na de bloei moet plaatsvinden. Vooral na 2000 worden beplantingen op de meest rigoureuze wijze gesnoeid of liever gezegd geklepeld.
---
Windeffect -- Veel beheertechnieken zijn afgeleid van natuurlijke processen. Zo kan het effect van scheren van heggen worden vergeleken met effect van grazen of het effect van wind. Dit is langs de kust het geval. Voortdurende westelijke en noordwestelijke en vaak harde wind remmen de groei en veroorzaken een schuin oplopende bosrand. (Texel 2006).
---
Snoeien -- Vooral heesters kunnen flink uitgroeien. Daarom moeten ze van tijd tot tijd worden gesnoeid. Dat is vakwerk, want verkeerd snoeien gaat ten kosten van de bloei, de vrucht en de vorm en dan ook van de kwaliteit van de plek.
----
Klepelen -- Ieder weldenkend mens zal inzien dat landschapsbeheer niet meer met pure handkracht kan worden gedaan en dat het machinaal moet gebeuren. Steeds meer begint de kwaliteit van het beheer daarbij een ondergeschikte rol te spelen. De kwaliteit wordt door de techniek bepaald. Wat vandaag zonder problemen betaalbaar is, is morgen te duur, omdat een nog grotere en zwaardere machine op de markt is gebracht. Machinaal beheer is prima, maar dan moet het wel voldoen aan bepaalde kwaliteitscriteria die gerelateerd zijn aan de betekenis van groen en natuur.
 
---
Maaiboot -- Een maaiboot is uitgerust met een afstelbare maaibalk. De planten kunnen dus op iedere gewenste hoogte worden afgeknipt. Al het onderhoudswerk dat in het groeiseizoen plaatsvindt, is ingrijpend voor de fauna. Vergeleken met de veegboot is het inzetten van een maaiboot aanzienlijk beter. Waar drachtplanten met drijvende bladen talrijk voorkomen is deze beheermaatregel niet of minder noodzakelijk.
---
Veegboot -- Een veegboot trekt met een veegmes of een maaibalk, die aan een ketting is bevestigd over, maar ook vaak door de bodem. Het resultaat is, maar steeds meer was een modderpoel, waarin een zuurstofloos milieu ontstaat waarin de meeste planten en dieren niet kunnen leven. De belevingswaarde van het water komt dan ver onder de maat te liggen. De bodem wordt hier in dezelfde arbeidsgang schoon gemaakt.
 
---
Maaikorf -- Voor het machinale waterplantenbeheer is het gebruik van de maaikorf de beste methode om smalle watergangen te schonen. Als er goed wordt gemaaid wordt de bodem niet te veel verstoord (zie hoofdstuk Water) en kunnen kleine dieren nog uit de korf ontsnappen. De oevers worden in één arbeidsgang mee gemaaid. Voor de ontwikkeling van bloemrijke oevervegetaties. Moet deze methode worden verfijnd.
---
Chemische onkruidbestrijding -- Tot in de jaren negentig werd er op veel plekken nog overdadig van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt gemaakt. Op deze wijze spuiten met deze middelen is tegenwoordig ondenkbaar. Voor overheden en bedrijven zijn de regels voor het gebruik strenger geworden. De particuliere gebruiker kan met veel middelen nog zijn gang gaan.
---
Borstelen -- Het alternatief voor chemische onkruidbestrijding was borstelen. Hoe achterstallig het beheer daarbij soms was, blijkt uit deze foto. Door het borstelen slijt de verharding sneller en bovendien komen er ook metaaldeeltjes in het milieu afkomstig van de stalen borstels. Dus werd er verder gezocht naar andere methoden zoals branden en stomen. Waar grassen groeiden had borstelen vaak hetzelfde effect als maaien, na het borstelen groeide het gras gewoon door.
Branden -- Met branders werd door verhitting het onkruid gedood. Bij het gebruik van de zogenaamde stootbranders door middel van vlammen kan de temperatuur tot 900 graden C oplopen. Bij infraroodbranders wordt het onkruid door middel van warmtestraling gedood. Hierbij loopt de temperatuur tot ca. 300 graden C op.
---
Stomen -- Met stomen wordt onder hoge druk zeer hete stoom op de verharding geblazen. Het is een arbeidsintensieve methode om de verharding onkruid- en mosvrij te krijgen.
---
Handmatig verwijderen -- Onkruidbestrijding op verhardingen is een gecompliceerde zaak. Eigenlijk zou iedere burger het gedeelte voor zijn eigen voordeur moeten schoonmaken. Burgers gebruiken echter aanzienlijk meer chemische middelen voor onkruidbestrijding dan de gemeentelijke diensten. De onkruidverwijdering moet eigenlijk handmatig gebeuren. Hiervoor is voorlichting noodzakelijk. Maar wat hier gebeurt is ondanks de goede intentie onzinnig. Dit gedeelte wordt zo intensief gebruikt dat onkruid geen kans krijgt. Tussen de voegen kan alleen maar mos groeien. En van dit mos ondervindt niemand enige hinder.
---
Overige beheerhandelingen

Kantjesknippen en steken -- Kantjes knippen en steken werd tot in de jaren tachtig niet alleen in tuinen en luxe parken, maar ook overal in het openbaar groen gedaan. Deze beheermethode past wel bij klassieke tuinen en parken die vaak bloemrijke beplantingen bevatten. Door het zeer intensieve beheer in het algemeen verdwijnt nestgelegenheid voor bijen.

Deze foto is gemaakt in een Engelse landgoedtuin. Hiervan heb ik er enkele tientallen bezocht in de periode rond 2000. Wilde bijen zijn toen nauwelijks waargenomen. Dit kwam niet alleen door het intensieve mechanische beheer maar ook door allerlei chemische bestrijdingsmiddelen. De tuinen zagen er fantastisch uit maar waren op het gebied van bijen en andere insecten vrijwel steriel.

 
Spitten: waar wordt gespit kunnen geen bijen nestelen.
---
Copperen -- de bovenste laag van de vegetatie ( inclusief de humuslaag tot 4 cm) wordt afgeschraapt (geklepeld en afgezogen), waardoor andere planten een kans krijgen om zicht te ontwikkelen. Deze methode is onder meer op Texel en Vlieland toegepast op plekken die waren vergrast en die werden gedomineerd door kraaihei. De bodemeigenschappen veranderen daardoor niet. Omdat er geen concurrentie is kunnen veel planten zich opnieuw vestigen. Het is wel de vraag of ze zich op langere termijn bij gelijke bodemeigenschappen kunnen handhaven.
 

Ontgraven en afvoeren van voedselrijke/overbemeste grond heeft vaak alleen zin als dat tot grote diepte gebeurt. Deze maisakker is tot ruim 30 cm afgegraven, maar de fosfaten zitten hier veel dieper in de grond. Met stijging van het grondwater komt dat ook steeds binnen wortelbereik van de kruidachtige vegetatie. Verschraling van de bodem is in deze situatie effectiever, maar dat kan decennia duren. Natuurontwikkeling is een proces met een natuurlijk tijdschema. (Deventer 1999)

 
Dit ziet er als basis veelbelovend uit, maar er zal veel moeten gebeuren om de natuur te krijgen die men beoogd. (Deventer 1999)
 
---
Ontgraven van de voedselrijke bouwvoor tot onder de grondwater spiegel. (Apeldoorn 2002)
 
Zaad oogsten
Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er in steeds meer gemeenten een vorm van ecologisch groenbeheer ingevoerd. Eén van de vuistregels was dat voor de introductie van planten zoveel mogelijk streekeigen materiaal werd gebruikt dat liefst door de gemeenten zelf moest worden verzameld. Sommige gemeenten waren zo ver dat ze na een aantal jaren zaad van hun eigen bodem konden oogsten.
 
Graslandbeheer
Maaien met de zeis
Hooien met het paard
Hooien met handkracht
Hobbyboeren
Distelstrekken
Maaien met vingerbalk
Keren van hooi
Rapen van hooi
Stofzuigermaaien
Afvoeren van maaisel
Bodemverbetering
Spoorvorming bij maaien
Branden van vegetaties
beplantingen
Chemisch beheer
Schoffelen
Wieden
Onkruidtrekken
Uitmaaien
Versnipperen
Ringen en kappen
Sterk ringen
Beperkt ringen
Aanbrengen boomschors
Snoeien
Klepelen
Knippen van scheerheggen
Windeffect
Water
Maaikorf
Maaiboot
Veegboot
Verhardingen
Chemische onkruidbestrijding
Borstelen
Branden
Stomen
Handmatig verwijderen
Overige beheerhand.
Bescherming boomstammen
Chopperen
Ontgraven van de bouwvoor
Spitten
Kantjesknippen en steken
 
Terug